Storingen oplossen

Stof wordt niet netjes getransporteerd

Steekinstelling niet optimaal.

  1. Een grotere steeklengte instellen. Steeklengte instellen
  2. Differentieeltransport instellen. Differentieeltransport instellen

Naaivoetdruk niet optimaal.

  1. Stel de naaivoetdruk in. Naaivoetdruk instellen

Naaldbreuk

Naald is defect.

  1. Naald vervangen. Naald verwisselen

Er is aan de stof getrokken.

  1. Geleid de stof gelijkmatig.

Verkeerde verhouding naald/garen.

  1. Gebruik een naald met geschikte naalddikte. Naald kiezen

Naald is onjuist ingezet.

  1. Schroef van de naald vastdraaien.
  2. Naald vervangen. Naald verwisselen

Naaivoet zit los.

  1. Naaivoet bevestigen. Naaivoetzool verwijderen

Verkeerde naald.

  1. Naalden van het naaldsysteem ELx705 CF gebruiken. Naald kiezen

Draadbreuk

Verkeerd ingeregen.

  1. Naald- en grijperdraad opnieuw inrijgen. Inrijgen

Naald bot of krom.

  1. Naald vervangen. Naald verwisselen

Draadspanning is niet optimaal.

  1. Draadspanning instellen. Inrijgen

Draad is in de knoop geraakt.

  1. Afwikkeling van de draad van de garenspoel controleren. Garenkloshouder

Draadgeleiding is niet volledig uitgeschoven.

  1. Draadgeleiding volledig uitschuiven. Uitschuifbare draadgeleiding

Er worden steken overgeslagen

  1. Naald vervangen.
  2. Draai de schroeven van de naaldhouder aan.
  3. Pas de naalddikte aan de stof/draad aan.
  4. Naald op de juiste manier inzetten.
  5. Kies een naald die past bij het naaiproject en de garendikte.
  6. Inrijgpad controleren.
  7. Naaivoetdruk verhogen.
  8. Hoogwaardig garen gebruiken.

Onregelmatige steek

Garen zit niet op de juiste manier in de draadvoorspanning.

  1. Inrijgpad controleren. Inrijgen

Draadspanning is onjuist.

  1. Draadspanning instellen. Draadspanning

Verkeerde verhouding naald/garen.

  1. Naalden met de juiste dikte gebruiken. Naald

Draad is onjuist ingeregen.

  1. Naald- en grijperdraad opnieuw inrijgen. Inrijgen

Er is aan de stof getrokken.

  1. Geleid de stof gelijkmatig.

Naaivoet zit los.

  1. Naaivoet bevestigen. Naaivoetzool verwijderen

Buisje van luchtinrijger is verontreinigd.

  1. Buisje van de luchtinrijger reinigen. Buisjes van de luchtinrijger reinigen

Ongewenst rimpelen van naden

Draadspanning is onjuist.

  1. Draadspanning instellen. Draadspanning

Naald defect.

  1. Naald vervangen. Naald verwisselen

Differentieel transport is niet optimaal.

  1. Differentieeltransport op 0,7 − 1 instellen. Differentieeltransport instellen

Stof zit vast

Naaivoetdruk is te hoog.

  1. Naaivoetdruk verlagen. Naaivoetdruk instellen

Machine loopt langzaam en stopt vervolgens

De pulsfunctie wordt uitgevoerd.

  1. Op de machine wordt de inrijgpositie voorbereid.

Machine naait niet

Gebied van de grijper is open.

  1. Grijperafdekking volledig sluiten. Grijperafdekking

Machine is niet op de netvoeding aangesloten.

  1. Steek de stekker in het stopcontact en in de machine. Machine aansluiten
  2. Controleer het stopcontact op spanning.

Machine is uitgeschakeld.

  1. Machine aanzetten. Machine aansluiten

Machine is oververhit.

  1. Machine uitschakelen en gedurende 10 − 15 min laten afkoelen. Machine aansluiten

Machine is te koud.

  1. Machine ca 1 uur bij kamertemperatuur laten staan.

Storing

Oplossing

Onregelmatig afsnijden

  1. Controleer of de messen in de goede richting staan.
  2. Vervang één of beide messen.

Stof zit vast

  1. Zet de naaivoetdruk lager.
  2. Controleer de instelling van het differentieel transport.
  3. Controleer of de draad in de knoop is geraakt of vast is komen te zitten.
  4. Naai dikke stoflagen eerst met een normale naaimachine vast, voordat u ze met de overlockmachine naait.

Stof wordt niet netjes afgesneden

  1. Zet de steekbreedte op 9.
  2. Verwijder pluisjes en draadresten van het mes.

Mes defect

  1. Mes vervangen.

Machine werkt niet

  1. Sluit de machine op de netvoeding aan en zet de machine aan.
  2. Sluit het grijperdeksel.